Leiden Medievalists Blog

Op kruistocht tegen de Turken!

Op kruistocht tegen de Turken! De slag bij Sisak in 1593.

In 1594 namen twee ridderbroeders van de Duitse Orde deel aan de strijd tegen de oprukkende Turken. Deze herleving van de kruistochtgedachte mondde uit in een militaire mislukking, maar een binnenlandse agenda was er wel mee gediend.

Herleving van de kruistochtgedachte

De relatie van Turkije met Duitsland en Nederland lijkt de laatste jaren in een negatieve spiraal terecht te zijn gekomen. Regelmatig vinden we in de media de kwalificatie dat de betrekkingen zich op een nieuw dieptepunt bevinden. Dat gebeurde bijvoorbeeld na het oppakken van Nederlandse journalisten in 2015, de rel rondom de reis van de Turkse minister Kaya naar Rotterdam in maart 2017, de arrestatie van Duitse journalisten en mensenrechtenactivisten en onlangs nog na het afblazen van de terugkeer van de Nederlandse ambassadeur naar Ankara. Toch is dit niks vergeleken met de vijandige verhoudingen in de late middeleeuwen tussen het gekerstende deel van Europa en de voorloper van de moderne Turkse staat, het Ottomaanse Rijk. De territoriale expansie van dat rijk leidde vanaf de 14e eeuw tot ver in de vroegmoderne tijd tot een serie oorlogen. Herinneringen aan de kruistochten kwamen hierdoor bovendrijven. Zo ook bij de Utrechtse vestiging van de Duitse Orde die in de dertiende eeuw was opgericht in de context van de kruistochten naar het Heilige Land. In 1594 ging een afvaardiging van twee ridderbroeders op weg om de christenheid te helpen verdedigen tegen de oprukkende Turken.

                De definitieve val van het laatste kruisvaardersbolwerk Akko, een havenstad in hedendaags Israël, in 1291 bedreigde het bestaansrecht van de geestelijke ridderorden. Hun kerntaken bestonden immers kortgezegd uit het vechten tijdens de kruistochten en het verplegen van kruisvaarders. De Duitse Orde vond een alternatief werkterrein elders aan de randen van de christenheid, namelijk in Pruisen en Lijfland. Daar waren de ridderbroeders lange tijd betrokken bij allerlei kruistochtexpedities en raids tegen de heidense bevolking. Na een vernietigende nederlaag bij Tannenberg in 1410 ging het echter ook daar snel bergafwaarts met de orde. Dit droeg sterk bij aan de transformatie tot een soort hospitaal ofwel levensvoorziening voor de Duitse adel, waarbij de interne discipline en saamhorigheid zonder duidelijke missie regelmatig ver te zoeken was. Tel daarbij de Reformatie op en het is begrijpelijk dat er in de tweede helft van de zestiende eeuw twijfels ontstonden over het bestaansrecht van het Duitse Huis van Utrecht. Die boodschap was echter niet besteed aan Jacob Taets van Amerongen. Hij was vanaf 1576 de zogenoemde landcommandeur van de balije Utrecht, wat betekent dat hij aan het hoofd van de Utrechtse ordeprovincie stond. Als overtuigd katholiek faciliteerde hij de Roomse eredienst in het Duitse Huis, zelfs toen dat door het Calvinistische stadsbestuur niet meer was toegestaan en daarom niet meer in de kerk van het convent kon plaatsvinden. Tevens zette hij alles in het werk om de tradities van de orde te bewaren en te herstellen. Het meest beeldende voorbeeld hiervan is de portretreeks die hij liet schilderen van alle Utrechtse landcommandeurs tot aan hemzelf. Daantje Meuwissen heeft dit in haar proefschrift uit 2011 aangetoond. Daarnaast werkte hij aan het herstel van de banden met de Duitse Orde elders. Toen zich een kans voordeed om zijn trouw aan de centrale orde en haar traditionele missie te bewijzen, greep hij die met beide handen aan.  

Portret van landcommandeur Jacob Taets van Amerongen (Wikimedia Commons)

 

Ridders Willem en Willem naar de Lange Turkenoorlog

In 1593 markeerde een escalatie van schermutselingen het begin van wat de Lange Turkenoorlog zou worden. De strijd aan de randen van christelijk Europa tegen een islamitische vijand deed denken aan de kruistochten van weleer. Het is niet verwonderlijk dat de Duitse Orde betrokken raakte, zodat er weer kon worden voldaan aan de oorspronkelijke missie van de orde, maar wellicht speelde ook de verdediging van ordebezittingen in Oostenrijk een rol. Voor Jacob Taets van Amerongen was dit de mogelijkheid om zijn herstel van de banden met de rest van de orde gestalte te geven. Hij vaardigde twee ridderbroeders af, Willem Sloet en Willem Mulert. Sloet was bij vertrek in het voorjaar van 1594 33 jaar oud. Hij was in 1578 in de orde getreden en begon zijn loopbaan binnen de Utrechtse ordeprovincie als coadjutor van de vestiging te Nes in Friesland. Daar werd hij in 1584 benoemd tot commandeur en in 1593 nam hij het commandeurschap in Schelluinen over. Mulert was afkomstig uit een Overijsselse riddermatige familie. Zijn vader Ernst Mulert was schout van Hasselt en zijn moeder Elizabeth was een telg van de Utrechtse aanzienlijke familie Bor van Amerongen. Het jaar van Willems intrede is onbekend. In 1592 werd hij benoemd tot commandeur van Leiden, wat trouwens opvallend is gezien het feit dat dit een priestercommanderij was.

                De beide Willems waren dus kort op hun nieuwe post, toen de voorbereidingen voor de grote reis begonnen. Beernt Terbeeck van Coesfelt, de secretaris van de landcommandeur, noteerde in zijn rekening van maart 1594 dat “Gerrit den holtkruijer” een stapel brieven was komen brengen, waaronder zich de “paspoorten voor onse ridderheren … om nae Hungarij te gaen” bevonden. In dezelfde maand telde hij de gelden op die voor de expeditie waren ingezameld. De commandeur van Rhenen gaf honderd gulden voor de uitrusting van de twee ridders. Een enorm bedrag van 1200 gulden was afkomstig van ene “Jan de Keyser”. In totaal kon Terbeeck van Coesfelt 2100 gulden reserveren voor de “beijde onse ridderheren rijdende nae Hungarij”. De onderneming was dan ook zeer kostbaar. Een aanzienlijk deel was al uitgegeven voordat de reis kon beginnen. In de eerste plaats hing er een prijskaartje aan de uitrusting en de al genoemde paspoorten. Ook moest de gage betaald worden van mr. Joriaen en Herman van Honthorst, die onderweg als dienaars te paard van respectievelijk Mulert en Sloet zouden optreden. Vlak voor vertrek werd er nog geld gewisseld voor goud. Vanwege de grote haast werd genoegen genomen met een ongunstige koers. Ook werden 46 stuivers betaald aan Sibille, een nicht van de landcommandeur, die een dag te voet onderweg was om de wissel uit te voeren. Op 1 april 1594 was het zover: Mulert en Sloet verlieten het Duitse Huis, op weg naar het strijdtoneel.

 

Van avontuur tot anticlimax

                 Het verloop van de tocht kunnen we nauwkeurig volgen dankzij het reisverslag dat de twee ridderheren bijhielden. De landcommandeur reed het eerste stuk mee tot Barneveld. Vervolgens werd koers gezet naar het Duitse Huis in Dieren, alwaar drie weken gewacht moest worden totdat het waterpeil van de rivier was gezakt. Daarop volgde het gezelschap de Rijn. In Keulen bezochten ze de landcommandeur van de balije Biesen, die daar toen ook verbleef. Vermoedelijk vond dit treffen plaats in de lokale commanderij, die tot de balije Koblenz behoorde. Dit was kortom een goede gelegenheid om de samenwerking met andere afgevaardigden van de orde te bespreken. Op 30 april staken de ridderbroeders bij Bonn de Rijn over, waarna ze het rivierdal verlieten om een stuk af te snijden naar Frankfurt, alwaar ze op 3 mei aankwamen. Met een gemiddelde afstand van ruim vijftig kilometer per dag hielden ze de vaart erin. In een min of meer rechte lijn vervolgden Willem en Willem hun reis, totdat ze op 22 juni in Wenen aankwamen. De keizersstad was in 1529 door de Ottomanen belegerd geweest, maar nu lag het front een stuk zuidelijker. Na het kopen van “een rustwaegen met twee peerden”, vertrokken ze daarom snel weer zuidwaarts naar Wiener Neustadt.Daar werden ze op een groot veld gemonsterd en in een vendel ondergebracht dat onder leiding stond van de commandeurs van Heilbronn en Gruitrode. Er lijkt dus sprake te zijn geweest van een vendel van de Duitse Orde. Ze zakten af naar Petrinja, dat ongeveer vijftig kilometer van Zagreb ligt en in handen was van de Turken. Hier ontmoetten de twee vijandige partijen elkaar halverwege juli. Volgens het reisverslag bestond het christelijke leger uit 10.000 ruiters en 2.000 man te voet. Of deze getallen juist waren, valt niet te achterhalen, maar het zal een imposant leger zijn geweest dat uit was op het toedienen van een grote slag. Er ontstond echter een steekspel, waarbij de Ottomanen gebruik maakten van buskruit en de stad op 9 augustus in brand staken. Het leger van Mulert en Sloet moest toen vluchten. Tot overmaat van ramp brak er ziekte uit in het kamp. De twee ridders keerden terug naar Ptuj in hedendaags Slovenië, alwaar hun reisverslag plotseling eindigt.

Eerste bladzijde van het reisverslag van Wilem Mulert en Willem Sloet (ARDOU inv.nr. 141).

 

Het thuisfront in gespannen afwachting

Toch kunnen we dit verhaal vervolgen. De landcommandeur van Biesen, die we in april 1594 al tegenkwamen in Keulen, bevond zich op 29 oktober van dat jaar wederom in die stad. Toen bracht hij de Utrechtse landcommandeur op de hoogte van berichten van het slagveld. In zijn brief schrijft hij dat het eerste voorteken over de afloop zich drie maanden tevoren aandiende, met de terugkeer van de zwaar gehavende broeder Diederik van Lansberg. Hij was een maand lang bedlegerig geweest en nog steeds niet hersteld. Vervolgens druppelden de berichten over gestorven broeders binnen, samen met de veelal zeer verzwakte overlevenden. Enkelen van hen konden vertellen dat Mulert en Sloet de slag om Petrinja hadden overleefd, maar tijdens de terugreis ziek waren achtergebleven in Graz. Die stad ligt ongeveer negentig kilometer dichter bij huis dan Ptuj, waar het reisverslag was geëindigd. De landcommandeur van Biesen had goede hoop dat de twee het zouden redden, want uit een brief van zijn overste, de Duitsmeester, had hij inmiddels begrepen dat het tweetal alweer vanuit Mergentheim onderweg was. Ze zouden dus ieder moment thuis kunnen komen.  

Inmiddels was men in Utrecht al wat meer op de hoogte van de lotgevallen van hun afgevaardigden, want in het hierboven genoemde rekenboekje van secretaris Terbeeck van Coesfelt staat dat briefdraagster Marie Claes op 15 oktober een brief vanuit Keulen kwam brengen, waarin een brief stak van commandeur Mulert “uth Hungrij”. Mogelijk gaat het om het reisverslag, dat in Ptuj zo abrupt was beëindigd toen de twee heren ziek waren geworden. Hadden ze hed niet gered, dan zou het verslag ten minste zijn aangekomen. Op 24 oktober kwam een gezant van de commanderij Gemert, dat onder Biesen viel, een brief langsbrengen met nieuws over de ridders. De inhoud daarvan is ons onbekend. In november zal ten slotte de brief die de landcommandeur van Biesen op 29 oktober schreef, zijn binnengekomen.

De St. Catharinakerk van het Duitse Huis van Keulen door Mercator in 1571 (Wikimedia Commons).

Niet lang daarna meldden Mulert en Sloet zich weer in Utrecht. Zij hadden de reis dus overleefd. De precieze datum van hun terugkomst is onbekend, maar dit was vóór 16 december 1594. Toen werd namelijk een nieuwe schimmel voor Sloet gekocht en voor 3 stuivers “uthet stadthuijs mede gebracht up een papier gedruckt die contiefaectsels vanden Christen ende Turcksen keijser”. Waarschijnlijk wordt hiermee een afbeelding van een veldslag bedoeld, zoals die aan het begin van dit verhaal van de slag bij Sisak die in 1593 in het hedendaagse Kroatië plaatsvond. Naast een nieuw paard werd dus ook een mooie herinneringsprent gemaakt. Al met al waren de twee ridders dus voor een grote geldsom ongeveer acht maanden op reis geweest, waarvan ongeveer drie weken deelname aan een strijd die nauwelijks iets had opgeleverd, maar ze wel zeer ziek had gemaakt. Toch was de expeditie voor het Duitse Huis van Utrecht een succes. De beide heren zijn waarschijnlijk als helden onthaald en maakten vervolgens carrière. Willem Mulert werd in 1600 benoemd tot commandeur van Schelluinen. Daarmee kreeg hij de baan die Sloet kort voor de krijgstocht was toebedeeld en sinds diens afwezigheid door Johan Steenhuis was waargenomen. Willem Sloet maakte in 1596 promotie tot commandeur van het aanzienlijke Duitse Huis van Tiel. Als we de woorden van het stadsbestuur daar mogen geloven, dan gaf hij vervolgens nog negentien jaar lang leiding in vrede en goede vriendschap met zijn omgeving. Bovendien was de landcommandeur erin geslaagd de banden met de orde aan te knopen en had hij getoond dat er anno 1594 nog steeds ridders van de Duitse Orde op kruistocht werden gestuurd en vervolgens gewond opgevangen. Dit gaf legitimiteit aan het bestaan van het Duitse Huis in tijden waarin geestelijke instellingen in Utrecht met opheffing werden bedreigd. Een agressieve houding ten opzichte van de Turken om in eigen land aan populariteit te winnen lijkt aldus oude wortels te hebben. 

 

Bronnen en verder lezen:

-P.J.C.G van Hinsbergen, Inventaris van het Archief van de Ridderlijke Duitsche Orde, balije van Utrecht 1200-1811 (Utrecht 1982) inventarisnummers: 52, 141, 2266-2269, 2502-2506, 2509, 2720.

-Daantje Meuwissen, Gekoesterde traditie: de portretreeks met de landcommandeurs van de Utrechtse Balije van de Ridderlijke Duitsche Orde (Hilversum 2011).

-Menno Koopstra, ‘Willem Sloet’, in: idem, ‘Weest ritter ende guet man ende hout ridderlijcke oerde.’ Portretten van broeders uit de balije Utrecht van de ridderlijke Duitsche Orde (Utrecht 2002) 45-47.

-http://www.telegraaf.nl/buitenland/23530059/__Relatie_Turkije_op_dieptepunt__.html

-https://www.rtlnieuws.nl/buitenland/correspondent-olaf-koens-relatie-met-turkije-op-dieptepunt

-http://www.faz.net/aktuell/politik/tuerkei/deutsch-tuerkische-beziehung-erreicht-neuen-tiefpunkt-15113659.html

-https://www.volkskrant.nl/buitenland/nieuw-dieptepunt-in-relatie-nederland-en-turkije-ambassadeur-officieel-teruggetrokken-uit-ankara~a4566907/

 

© Jerem van Duijl and Leiden Medievalists Blog, 2018. Unauthorised use and/or duplication of this material without express and written permission from this site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full and clear credit is given to Jerem van Duijl and Leiden Medievalists Blog with appropriate and specific direction to the original content.