Leiden Medievalists Blog

Op zoek naar publieke watervoorzieningen, in het bijzonder in Leiden (deel 1)

Op zoek naar publieke watervoorzieningen, in het bijzonder in Leiden (deel 1) Uitsnede stadsplattegrond Bast en twee waterputten met putmik. (bron: Erfgoed Leiden)

Hoe kwamen middeleeuwse Leidenaren aan hun drinkwater? In deze blog een eerste verkenning van de schaarse historische bronnen.

Het bracht de Bossche gemoederen aardig in beroering, maar in het voorjaar van 2017 is op een prominente plek op de markt in Den Bosch dan toch een nieuwe reconstructie van de middeleeuwse waterput gerealiseerd. De waterput zelf valt niet eens zo op, want om de bovengrondse natuurstenen putschacht is een houten huis met puntdak gebouwd. De historische reconstructie is grotendeels gebaseerd op de weergave op het bekende schilderij van de Lakenmarkt van 1530.

Fig. 1: Uitsnede: De Lakenmarkt te ’s-Hertogenbosch (1530) Bron: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:De_lakenmarkt_te_%E2%80%99s-Hertogenbosch_circa_1530_-_Noordbrabants_Museum.jpg

Waterputgemeenschappen: ook in West-Nederland?

Naar aanleiding van de reconstructie verscheen het boek Terug op de Bossche Markt. De stadsput en het Onze-Lieve-Vrouwehuisje. Hierin wordt toegelicht dat de grote investering van de bouw van het puthuis met leien puntdak omstreeks 1522 door het stadsbestuur werd bekostigd. In 1632 werd de put vervangen door een pomp. Het reguliere onderhoud van de watervoorziening was één van de taken van het Blok (de wijk). Ook wordt in het boek opgemerkt dat in vele middeleeuwse steden in de Nederlanden een vergelijkbaar systeem van publieke watervoorziening heeft bestaan.

Den Bosch was inderdaad niet uniek. Zutphen en Roermond zijn in de historische vakliteratuur goed bekende voorbeelden van steden met een netwerk van publieke waterputten. In deze steden werden de putten bovendien onderhouden door een wijkbestuur dat zich primair bezighield met het onderhoud van de waterput, terwijl dit in Den Bosch een secundaire taak van het wijkbestuur was. Het is echter twijfelachtig of het fenomeen publieke waterputten ook in West-Nederlandse steden in de middeleeuwen gebruikelijk was. We nemen hier Leiden als casus.

Vroegmodern Leiden: (enkele?) bonpompen

Leiden kent een rijk historisch archief, maar de vermeldingen van publieke watervoorzieningen liggen niet voor het oprapen. Zeker is dat Leiden in de vroegmoderne tijd het fenomeen bonpomp (wijkpomp) kende. In de achttiende eeuw vinden we in de bonrekeningen een terugkerend hoofdstuk (capittel) ingeruimd voor onderhoud van brandgereedschap, platingen (houten beschoeiingen van de walkanten) èn pomp. Waar die pompen precies zich bevonden vermelden de rekeningen niet. Wie tegenwoordig door de stad loopt kan, buiten de pompen in de hofjes, nog vier  (hardstenen) waterpompen tegenkomen. Twee zijn gesitueerd tegen de Hooglandse kerk, één tegen de gevel van het stadhuis aan de Breestraat en één op de Garenmarkt. De pomp aan de noordwestzijde van de Hooglandse kerk is bekroond met het teken van de burcht en bovendien het opschrift ‘bon Burgstreng’. De andere pomp aan de Hooglandse Kerkgracht staat bekend als de bonpomp die van het bon Kerkvierendeel was, maar een KX, als teken van het bon laat zich niet gemakkelijk herkennen in de obeliskbekroning. De oudste vermelding van onderhoud van de bonpomp van het Burchstreng en het Kerkvierendeel is omstreeks 1725. Het zou echter goed kunnen dat de pompen wellicht vijftig jaar eerder al gebouwd zijn. Of de vier overgebleven pompen nu de enige publieke watervoorzieningen waren in Leiden voor de ruim zestigduizend Leidse inwoners in het derde kwart van de zeventiende eeuw, mag op zijn minst opmerkelijk heten. En hoe zit het met de middeleeuwen? Hadden inwoners toen geen water nodig voor huishoudelijk gebruik?

Fig. 2: Links en midden. Pompen tegen de gevel van de Hooglandse kerk. Links betreft de bonbomp van de burcht. Rechts de waterpomp aan de gevel van het stadhuis.

Waterputten

Historische stadsplattegronden zijn een ander brontype dat gebruikt kan worden om deze vraag te beantwoorden. Vier stadsplattegronden zijn gekozen Liefrinck (1576), Bast (1600), Bleau (1649) en Hagen (1670). Hierop zijn geen (overtuigende) aanwijzingen te zien voor voorgangers van de vier genoemde pompen. Elders in de stad zijn wel waterputten afgebeeld, niet zozeer herkenbaar aan de bakstenen bovengrondse putschacht, maar veelal aan het hefboommechanisme (putmik) of boven de put hangende katrol. In het merendeel van de gevallen is duidelijk dat het om een waterput gaat, maar het is niet altijd duidelijk. Aannemende dat de stadsplattegronden in de regel een betrouwbare weergave zijn van de stad, is het interessant om te kijken of het totaalaantal waterputten door de tijd heen verandert.

Fig. 3: Uitsnede stadsplattegrond Bast en twee waterputten met putmik (nr. 20 en 21). Bron: https://www.erfgoedleiden.nl/collecties/beeldmateriaal/zoeken-in-beeldmateriaal/indeling/detail/start/6/q/zoekveld/bast

Alle-waterputten-kaart

Het aantal afgebeelde waterputten kan geteld worden met behulp van een GIS-programma. De historische plattegrond wordt daarbij eerst zoveel mogelijk op de goede plek gelegd. Dit georefereren is gedaan aan de hand van de kadastrale kaart van 1832. De kaart van Liefrinck geeft enige vervorming, maar het perspectief van de kaart van Hagen is zo goed, dat deze vrij naadloos gekoppeld kan worden.

Fig. 4: De kaart van Hagen (1670) geprojecteerd op het weg- en waterpatroon van de kadastrale kaart van 1832.

Op de gekozen vier historische plattegronden konden een kleine dertig waterputten herkend worden. Dit aantal is inclusief ‘dubbel’ getelde waterputten. Om een voorbeeld te geven: waterputnummer 18 op de kaart van Liefrinck is vermoedelijk dezelfde waterput als Bast weergeeft als nummer 20 of 21.

Fig. 5: Het aantal herkende waterputten op de vier gekozen historische kaarten geplot op de kadastrale kaart van 1832. Let op: de locatie van de putten is niet exact, maar is slechts een benadering (RvO).

Een antwoord….

De analyse van de historische plattegronden leert dat in Leiden, anders dan bijvoorbeeld Den Bosch, Roermond of Zutphen, geen duidelijk herkenbare waterputten in de openbare ruimte, op straat of op pleinen lijken te zijn geweest aan het einde van de middeleeuwen. Afgezien van de mogelijke waterput op de Garenmarkt (nr. 1 en nr. 24), een mogelijke waterput in Maredorp (nr. 22) en wellicht, maar niet duidelijk te onderscheiden, een pomp nabij de Haven (nr. 31) bevinden alle andere weergegeven waterputten zich op de binnenterreinen van de bouwblokken, waarschijnlijk op privéterrein. De waterputten kunnen moeilijk bestempeld worden als bonput. Waarschijnlijk werden ze gedeeld met enkele aanwonende buren. Daarmee kunnen we vaststellen dat in Leiden aan het einde van de late middeleeuwen gemeenschappelijke waterputten niet onbekend waren, maar een systeem van door de bonnen onderhouden gemeenschappelijke watervoorzieningen opvallend genoeg wel afwezig lijkt te zijn.

….maar ook een nieuwe vraag!

Een tweede punt dat geconcludeerd kan worden is dat het aantal weergegeven waterputten door de tijd heen afneemt. Liefrinck geeft er in 1576 vier tot vijfmaal meer waterputten weer dan bij Bast, Blaeu of Hagen. Nu kan het zo zijn dat waterputten, zeker in de tweede helft van de zeventiende eeuw, vervangen zijn door waterpompen. Waterpompen werden dikwijls tegen de bebouwing gesitueerd in plaats van midden op een straat. Bij een in opstand getekende stadsplattegrond zijn waterpompen daardoor niet of nauwelijks zichtbaar.

Al zouden een aantal waterputten door waterpompen tegen de gevel vervangen zijn, dit kan niet de gehele afname verklaren. Een overgang van waterputten naar waterpompen is op zijn vroegst pas vanaf het tweede kwart van de zeventiende eeuw te verwachten. Bovendien, en dit is belangrijker: er is niet alleen een afname van het absolute aantal waterputten, maar ook van het relatieve aantal. Wanneer het stijgende aantal inwoners in Leiden – van een slordige 12.000 inwoners ten tijde van de kaart van Liefrinck naar zeker 60.000 inwoners ten tijde van de kaart van Hagen – gelijke tred had gehouden met het aantal watervoorzieningen, dan zou een vervijfvoudiging in afgebeelde watervoorzieningen verwacht mogen worden. Nam de toegankelijkheid tot waterbronnen in de vroegmoderne tijd dan af?

De voorlopige resultaten van een ander brontype, namelijk die van de archeologie, wijst echter op het tegendeel. Het aantal opgegraven waterputten daterend uit de vroegmoderne tijd lijkt ten opzichte van de middeleeuwen juist spectaculair toe te nemen…. Spreken de bronnen elkaar echt tegen of is er iets anders aan de hand? In de volgende blog wordt hierop ingegaan.

Voor meer over waterputten en verwijzingen naar de literatuur:

Met dank aan:

  • Ellen Gehring, Erfgoed Leiden en Omstreken (ELO) voor het ter beschikking stellen van de gegeorefeerde stadsplattegronden.
  • Suggesties van Ronald van Genabeek ('s-Hertogenbosch), P.M.J. de Baar (Leiden), Pieter-Jan de Vos (ELO) en de Historisch Leiden in Kaart-werkgroep.

© Roos van Oosten and Leiden Medievalists Blog, 2017. Unauthorised use and/or duplication of this material without express and written permission from this site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full and clear credit is given to Roos van Oosten and Leiden Medievalists Blog with appropriate and specific direction to the original content.