Leiden Medievalists Blog

Op zoek naar publieke watervoorzieningen, in het bijzonder in Leiden (deel 2)

Op zoek naar publieke watervoorzieningen, in het bijzonder in Leiden (deel 2) Foto van het machinaal leegscheppen van een beerput in Leiden, opgraving Ir. Driessenstraat 6-1-1987 (Foto: A.D.P. van Peursen)

Hoe kwamen middeleeuwse Leidenaren aan hun drinkwater? Een tweede blog over deze fascinerende vraag!

In mijn vorige blog is de vraag gesteld hoe Leidse stadsbewoners zich in het verleden van (huishoud)water voorzagen. Daarbij zijn historische stadsplattegronden als leidraad gebruikt. Slechts een enkele openbare waterput of pomp staat op de kaarten getekend, maar dit aantal is  zichtbaar te gering om de gehele stadsgemeenschap van drink- en huishoudwater te kunnen voorzien. Waren die putten er werkelijk niet, of werden ze niet op stadsplattegronden weergegeven? In deze blog wordt gekeken of archeologische opgravingen in Leiden informatie verschaffen over het voorkomen van buurtputten voor de watervoorziening.

Dataset: oud-archeologisch onderzoek opnieuw bezien

In Leiden hebben de afgelopen veertig jaar vele opgravingen plaatsgevonden. Voor deze blog zijn vier oude opgravingen onder het stof vandaan gehaald. Dit zijn de opgravingen die bekend staan onder de volgende locaties:

  1. Het Sint Agnes- en Sint Michielsklooster (1984)
  2. Haarlemmerstraat-C&A-complex (1985)
  3. Ir. Driessenplein (1987), tegenwoordig beter bekend als het bouwblok van Albert Heijn Hooigracht
  4. Kamerling Onnes Laboratorium (2001) aan het Steenschuur, aan de voorzijde van de huidige rechtenfaculteit (KOG)

Deze vier archeologische onderzoeken zijn geselecteerd omdat er een redelijk groot areaal is blootgelegd, de onderzoeken uitgebreid zijn gerapporteerd èn de originele basisdocumentatie geraadpleegd kon worden.

Fig. 1: De jaartallen van de stadsuitbreiding van Leiden en de vier geselecteerde opgravingen.

Met de gegevens van deze vier opgravingen is aan de slag gegaan: de ingescande opgravingstekeningen zijn in een GIS-programma op de correcte locatie gelegd, ook wel bekend als georefereren. Vervolgens zijn de contouren van alle elementen die behoren tot sanitaire infrastructuur overgetrokken en zijn de kenmerkende gegevens, afmetingen en dateringen uit de velddocumentatie en de verslaglegging samengevoegd. Sanitaire infrastructuur behelst naast beer- en (wel)waterputten ook beerkelders, (regen)waterkelders en tonputten. In principe is bij de analyse uitgegaan van de functie die in het opgravingsverslag is opgenomen. Na uitsluiting van de twijfelgevallen, zoals tonputten die ook andere functie gehad kunnen hebben, zijn 150 beer- en watervoorzieningen overgebleven. Als we willen weten of er verschil is tussen de middeleeuwse (hier: vóór 1575) en postmiddeleeuwse (na 1575) periode, dan is het noodzakelijk de aanlegdatum van de water- en beervoorzieningen te kennen. Een derde van de waterputten, en een vijfde van de beerputten uit de dataset moet om die reden buiten beschouwing gelaten worden. Blijft over: een dataset van ruim honderd structuren.

Leiden: het middeleeuwse beerputtentijdperk en het postmiddeleeuwse waterputtentijdperk

Zoals goed te zien is figuur 1 zijn de gekozen locaties gelegen in de oude middeleeuwse binnenstad. Bekend is ook dat de locaties, vanaf zeker de 15de eeuw, bewoond werden. Toch treffen we slechts vier waterputten aan bij deze opgravingen, tegenover veertig postmiddeleeuwse watervoorzieningen. Nu zijn absolute aantallen in de archeologie enigszins dubieus. Het voorkomen van aangetroffen waterputten is immers ook afhankelijk van de intensiteit en de duur van de bewoning. Informatiever is om waterputten af te zetten tegenover bijvoorbeeld opgegraven beerputten. De trend blijft bestaan: waterputten zijn nauwelijks aanwezig in de middeleeuwen maar worden in de nieuwe tijd veelvuldig aangetroffen.

Daarbij dient ook opgemerkt te worden, dat de procentuele stijging van het aantal watervoorzieningen, mede bepaald wordt doordat het afgezet wordt tegen beerputten. Met die beerputten was in Leiden iets bijzonders aan de hand. Beerputten waren in de middeleeuwen gangbaar, maar het gebruik ervan nam - en dat is typisch voor Leiden - al sterk af, omstreeks 1600. Meer en meer werden beerputten vervangen door riolen en secreetgoten. Deze riolen voerden de ‘vuile materie van beer’ van het privaat af in grachtenwater. Er is weinig fantasie voor nodig om voor te stellen dat dit vervuiling van het grachtenwater met zicht meebracht. Wanneer het grachtenwater in de middeleeuwen de primaire waterbron was voor de stedelingen, dan kan die toenemende vervuiling tot gevolg hebben dat op zoek gegaan is naar alternatieven voor waterwinning, zoals private waterputten. De optie die nog uitgesloten moeten worden – en daar wordt hieronder een aanzet voor gegeven – is dat Leiden géén systeem van centraal aangelegde waterputten gehad heeft.

Fig. 2 Grafiek: Leiden: de verhouding tussen het aantal water- en beervoorzieningen in de dataset van vier opgravingen dat in de Late Middeleeuwen (LME: hier vóór 1575) en de Nieuwe tijd (NT tot 1900) is aangelegd.

Op zoek naar gedeelde (middeleeuwse) watervoorzieningen


Op de Groenmarkt in Zutphen is onlangs een buurtwaterpomp opgegraven die bovengronds vanaf 1625 bekroond was met een pomp. Zoals uit de rapportage en deze documentaire blijkt: de put was gesitueerd in de straat en de diameter van de schacht was met twee meter fors te noemen. Kunnen we met deze twee kenmerken in het achterhoofd – locatie in de publieke ruimte en een behoorlijke opslagcapaciteit -, ook buurtputten in onze Leidse dataset herkennen?

Zo op het eerste gezicht is die kans hierop gering: immers, onze hier gekozen locaties zijn eeuwenlang als huis, erf en binnenterrein in gebruik geweest; straten of marktpleinen zijn niet in de dataset vertegenwoordigd. Verrassend genoeg kan er toch een buurtpomp geïdentificeerd worden. Bij de opgraving Haarlemmerstraat C&A-complex is een 19de-eeuwse put gevonden met een vergelijkbare diameter (binnendiameter: 2 meter) en diepte (3 meter) zoals de Zutphense buurtput. Bovendien is af te lezen na het plotten van archeologische gegevens op de 19e-eeuwse kadastrale kaarten dat deze put gesitueerd is achter een perceel op de Haarlemmerstraat, grenzend aan de Spijkerboorsteeg. De gedachte dat dit terrein in de buurt een gemeenschappelijk gebruik kende wordt gesterkt door het feit dat op ditzelfde ‘erf/pleintje’ tevens de vooralsnog grootste beerput van Leiden is opgegraven. Deze beerput met een binnendiameter van 3 meter en een diepte van meer dan 3 meter, is al in de 15de-eeuw aangelegd, maar zal ook in de 19de eeuw nog in gebruik zijn geweest. De beerput (aangegeven met een letter B) is namelijk afgebeeld op de cholerakaart van 1870.

Fig. 3: De opgegraven (mega)beer- en waterput bij de opgraving 1985 Haarlemmerstraat C&A-complex. Op de cholerakaart is op praktisch dezelfde plek als de beerput een cirkel met een letter B (=beerput) aangegeven. Onder de Logischerwijs was dit erf in gebruik als pleintje en waren dit gedeelde putten. De ondergrond is een uitsnede van de cholerakaart van 1870.

Lettend op de vereisten van locatie en binnendiameter komt in de dataset een opvallend beeld naar voren betreffende de vier opgraven middeleeuwse waterputten. Het blijkt dat drie van de waterputten inpandig gesitueerd zijn (opgraving Steenschuur), waar we uit kunnen afleiden dat zij voor privé-gebruik bedoeld zijn. Het vierde middeleeuwse exemplaar heeft een dermate geringe diameter (40 cm) dat een gedeeld gebruik uitgesloten wordt.  

Wordt vervolgd: oud en nieuw archeologisch onderzoek vergeleken

Kunnen we hieruit dan concluderen dat in middeleeuws Leiden in het geheel geen collectieve watervoorzieningen voorkwamen? Nee, we geven de hoop nog niet helemaal op. In de collectie ‘oud-archeologisch onderzoek’ zijn meer gegevens voorhanden dan de hier gebruikte vier grote opgravingen. Waaronder – en dat is voor onze vraag naar buurtputten uiterst interessant – de archeologische begeleiding van het vernieuwen van de hoofdrioleringen in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Juist bij het openleggen van oude wegdekken, zijn publieke waterputten te verwachten.  

De zoektocht naar collectieve watervoorzieningen heeft wel duidelijk kunnen maken dat watervoorzieningen op woonerven in de middeleeuwse Leidse binnenstad typisch zijn voor de post-middeleeuwse periode en niet voor de middeleeuwen. In steden in Oost-Nederland kan dat heel anders geweest zijn. Logischerwijs is deze trend van ‘veel watervoorzieningen en weinig beerputten’ nog veel sterker in de Leidse 17de-eeuwse uitbreidingswijken. In de beginjaren van archeologisch onderzoek in Leiden zijn juist deze wijken nauwelijks onderzocht. Het leuke is dat juist in deze wijken de laatste jaren infrastructurele ontwikkelingen hebben plaatsgevonden en zodoende ook grootschalig archeologisch onderzoek heeft plaatsgehad. De archeologische resultaten worden de komende maanden gepubliceerd: spannend! In een volgende blog nemen we deze nieuwe opgravingen onder de loep.   

Met dank aan:
Deandra de Looff (Universiteit Leiden) voor georeferentie van opgravingstekeningen.
Michel Groothedde (gemeente Zutphen) voor de Zutphense waterput.
Anne-Hiske Grimme, Chrystel Brandenburgh en Pieter-Jan de Vos (Erfgoed Leiden en Omstreken) voor suggesties en toegang tot de opgravingsgegevens.

© Roos van Oosten and Leiden Medievalists Blog, 2018. Unauthorised use and/or duplication of this material without express and written permission from this site’s author and/or owner is strictly prohibited. Excerpts and links may be used, provided that full and clear credit is given to Roos van Oosten and Leiden Medievalists Blog with appropriate and specific direction to the original content.