Leiden Medievalists Blog

De broeibedhypothese: op zoek naar sporen van middeleeuwse tuinbouw

De broeibedhypothese: op zoek naar sporen van middeleeuwse tuinbouw

In het RMO was in 2019 de tentoonstelling 'Middeleeuwse tuinen' te zien. In deze blog onderzoeken we of archeologisch opgegraven middeleeuwse mestkuilen warme plantenbedden of misschien zelfs broeibedden geweest zijn.

Auteurs: Roos van Oosten, Sander Aerts, Jantine Hos en Eric van Hees

Introductie

Bij archeologisch onderzoek binnen de middeleeuwse stadsmuren vinden archeologen regelmatig mestkuilen. Ze zijn vaak groot, opvallend rechthoekig en ze dateren vrijwel zonder uitzondering uit de periode 1300 tot 1450. De traditionele verklaring is dat het kuilen zijn om de mest te composteren. Maar die interpretatie heeft iets onbevredigends, waarom zou de middeleeuwse stadsbewoner zoveel kuub grond verzet hebben voor de aanleg van een ondergrondse mesthoop als een bovengrondse ook zou volstaan?

Fig. 1: Broeibed? Foto van een 15de-eeuwse mestkuil, opgraving Leiden-Schelpenkade. Foto: Erfgoed Leiden en Omstreken.

Een alternatieve verklaring geven vroegmoderne teksten. Zo wordt in het 18de-eeuwse huishoudelijk woordenboek van Chomel (editie 1778) het fenomeen broeibedden genoemd. Broeibedden zijn bedden waarin een laag paardenmest wordt opgebracht, als de mest goed broeit komt er een laag grond overheen en kunnen daarin bijvoorbeeld gewassen met een hoge ontkiemingstemperatuur, zoals komkommers en meloen gekweekt worden. Bovendien kan door de warmte die de paardenmest afgeeft de gewassen al vroeg in het seizoen geoogst worden. Tot ver in de 20ste eeuw waren broeibakken, broeibedden, éénruiters of broeiramen in de tuinbouw in het Westland een gangbaar fenomeen.  

Een mestkuil-stroomdiagram (de theorie)

Maar zijn de middeleeuwse archeologisch opgegraven mestkuilen die een paar honderd jaar ouder zijn dan de historische teksten broeibedden? In theorie is die vraag niet zo moeilijk op te lossen. We hebben er een stroomschema van gemaakt.

De eerste vereiste is dat de kuil buitenshuis gelegen was en dat deze enige omvang (zeg minimaal een meter lang) en in aanleg regelmatig en rechthoekig is.

De tweede vereiste is dat onderste laag van de kuil mest bevat. Dat hoeft maar een dunne laag te zijn, die op de bodem en aan de rand van de kuil aanwezig is. Bij een opgraving wordt een kuil met veen-achtige, humeuze vulling door archeologen vaak als mest aangeduid. Echter, op basis van zintuigelijke waarneming kan niet het verschil vastgesteld worden tussen bijvoorbeeld dorsafval, menselijke mest en dierlijke mest. Bio-archeologisch onderzoek is nodig. In het lab wordt gelet op meerdere mestindicatoren, waaronder mestkevers en paardenharen. Zo’n reeks aan indicatoren wordt in de internationale vakliteratuur aangeduid als ‘(stable) manure indicator package’ genoemd.  

De derde vereiste is dat er aanwijzingen zijn voor gewassen die er gegroeid hebben. De bovenste laag van de kuil geeft de meeste kans op aanwijzingen in de vorm van niet ontkiemde zaden,  specifiek bladgroente etende insecten, evenals  andere plantenresten (stengels, knoppen, kafjes en takjes).

Als de kuil aan deze drie vereisten voldoet, dan is de kuil aan te duiden als een warm, geïsoleerd plantenbed. Als er in de mestlaag ook nog warmteminnende insecten worden aangetroffen, die erop duiden dat broei heeft plaatsgevonden, dan is het een echt broeibed (Engels: hotbed).

Fig.2: Mestkuilen stroomschema.

De weerbarstige praktijk: een gebrekkige bemonsteringsstrategie

Met het stroomdiagram in de hand zijn we als ‘mestkuilenwerkgroep’ aan de slag gegaan en hebben archeologische rapportages doorzocht. Wat opvalt aan de literatuurstudie is dat er in steden als Leiden, Gouda, Rotterdam en Dordrecht, regelmatig sporen worden gevonden die archeologen aanduiden als mestkuilen. Deze steden liggen rondom het Westland dat als traditioneel tuinbouwgebied bekend staat. De verspreiding van mestkuilen beperkt zich daar overigens niet toe. Ook in Kampen zijn series mestkuilen aangetroffen. De mestkuilen bevinden zich zowel op onbewoonde arealen binnen de stadsmuren als op erven van stadhuizen. Na 1450 zijn mestkuilen in de stad een zeldzaamheid.

Onze inventarisatie omvatte een kleine 200 mestkuilen. In de meeste gevallen was nog wel na te gaan in hoeverre de kuilen aan onze eerste vereiste voldeden van locatie en omvang, maar minder dan 5% van de mestkuilen was de ‘mest’-laag bio-archeologische onderzocht. Archeo-botanisch onderzoek naar zaden en pollen, komt beduidende meer voor dan onderzoek naar insecten zoals mestkevers. Onze pogingen om het mestkuilenstroomdiagram toe te passen, stranden dan ook bij de tweede vraag. Problematischer is dat bij bemonstering van een kuil standaard alleen de onderste mestlaag wordt bemonsterd en vrijwel nooit tevens de bovenste laag waar indicatoren van gewassen in te verwachten zijn.  

Prille maar positieve indicaties

Om de broeibedhypothese goed te onderzoeken hebben we broeibedexperiment in het museumpark Archeon opgezet en hebben we drie archeologische kuilen aan een nieuw bio-archeologisch onderzoek onderworpen. We waren hierbij afhankelijk van de monsters die in archeologische depots ter beschikking waren, waarmee het eerder gesignaleerde probleem van de verkeerd bemonsterde laag, overigens niet verholpen was. We hadden geluk dat op het juiste moment van het mestkuilenproject bij de opgraving Leiden-Aalmarkt een mestkuil (S9001) werd gevonden, waarvan we zelf zowel boven- als onderlaag mochten bemonsteren. Twee van de drie geselecteerde mestkuilen bleken mest te bevatten. Bij Leiden-Aalmarkt komen er beduidend meer insecten die bladeren van ter plekke groeiende planten geconsumeerd hebben in de bovenlaag- dan in de onderlaag. Welke gewassen dat zijn is niet vast te stellen, want deze kuil is niet op plantenresten onderzocht. De mestkuil Dordrecht-Statenplein is op zowel insecten als plantenresten onderzocht. De analyse wees uit dat zowel bij de plantenresten als de insecten positief scoorden op gewasindicatoren. In de mestkuil zijn zaden van snijbiet, venkel en spinazie gevonden. Spinazie is in een middeleeuwse mestkuil bijzonder, omdat het gewas in de 12e eeuw  Spanje bereikte en pas in de 16e eeuw  in noordelijke streken een populaire groente werd. Bovendien wordt spinazie bij voorkeur geoogst voordat  ‘de plant in het zaad schiet’, waardoor de zaden in de voedselresten (beerputten) bijna niet voorkomen.

Fig. 3: Broeibed aangelegd in het Archeon.

Nader onderzoek

Nu willen we zeker niet bepleiten dat in het vervolg elke archeologische mestkuil klakkeloos als warm plantenbed of broeidbed wordt bestempeld, andere interpretaties voor mest in kuilen moet niet overgeslagen worden, maar we hopen dat ons onderzoek een stimulans is om de broeibed-  of warm-plantenbed-hypothese serieuze aandacht te geven. Dat begint door in het programma van eisen van een opgraving de expliciete vraag op te nemen, wat is de functie van kuil met een mest-achtige vulling? De tweede stap is om in het veld de stratigrafie op te tekenen en zowel de onder- als de bovenlaag te bemonsteren. De derde stap is om beide lagen op botanische resten en op insectenresten te onderzoeken.

De eerste archeoloog die een systematische aanpak wat betreft mestkuilen weet te realiseren komen wij hoogstpersoonlijk een spinazietaart brengen.

Met dank aan:

Deze blog is een voorpublicatie van een uitvoeriger Engelstalige artikel ‘Mysterious medieval manure pits: an indication of urban horticulture?’, auteurs Roos van Oosten, Sander Aerts, Jantine Hos and Erica van Hees dat in maart 2020 open access verschijnt in APL 50 (Analecta Prehistorica Leidensia) bij Sidestone Press.

Daarin wordt uitvoeriger stil gestaan bij de resultaten van de bio-archeologische analyse van de plantenresten, die in het kader van een BA-scriptie (Jantine Hos) en de analyse van de insectenresten die in het kader van een MSc-scriptie (Sander Aerts) zijn onderzocht. Bovendien worden daarin de resultaten van het broeibedexperiment dat we in het Archeon hebben opgezet, gepresenteerd. 

Naast een woord voor dank aan BAAC, ADC, gemeente Dordrecht, gemeente Den Bosch die ons hielpen bij het verzamelen van monsters, moet speciaal bedankt worden het Archeon in Alphen aan den Rijn, om als gastheer op te treden van het broeidbedexperiment. De kennis, inzet en het enthousiasme van de groenvrijwilligers van het Archeon, in het bijzonder Trudy van den Bos en Henk van den Bos, was van cruciaal belang voor een succesvolle afronding van het broeibedexperiment.